Politiek

Meer dan vrije ruimte

In oktober publiceerde het Platform Onderwijs2032 zijn advies, bedoeld voor staatssecretaris Sander Dekker en voor het onderwijsveld. Bij dergelijke voorstellen voor onderwijsvernieuwing is de vrijheid van onderwijs een spannend punt. Hoe krijgt die in de nieuwe plannen gestalte? En valt er uit de manier waarop men naar artikel 23 verwijst iets af te leiden van de onderwijsvisie die het Platform voorstaat? En welke spiegel houdt dit aan het reformatorisch onderwijs voor? Een voorzichtige peiling, maar met een appel tot waakzaamheid.

De slinger lijkt in onderwijsland weer terug te slaan: van veel nadruk op kennis en vaardigheden naar persoonlijke ontwikkeling als centraal uitgangspunt. Kennis en vaardigheden spelen natuurlijk een belangrijke rol, maar de school is weer meer dan een voorbereiding op de arbeidsmarkt. In dat opzicht vormt het rapport van het Platform Onderwijs2032 een correctie op de onderwijsparagraaf in het regeerakkoord van Rutte-II. De rigide economische kijk op onderwijs is genuanceerd door de inzet op persoonlijke ontwikkeling van de leerlingen. Om de woordspeling van de commissie te gebruiken: het gaat om de begeleiding van leerlingen tot zelfstandige volwassenen, die behalve vaardig ook waardig en aardig zijn, voor zichzelf en voor hun omgeving. Daarom pleit men voor samenhangend onderwijs waarbij de leerling en zijn ontwikkeling centraal staat en waarbij alle leerlingen een solide gemeenschappelijke basis krijgen. Op grond van hun persoonlijke capaciteiten kunnen ze deze verbreden en verdiepen.

Eigen invulling

Bij de persoonlijke ontwikkeling leren leerlingen zelfstandig keuzes maken. Daarbij leren ze rekening houden met anderen. Weerbaarheid, zelfvertrouwen en samenwerken staan hoog genoteerd, evenals creativiteit (zoals muziek, toneel, handvaardigheid) en fysieke activiteiten (zoals sport). De vaste basis van kennis en vaardigheden bestaat uit taal- en rekenvaardigheid, digitale vaardigheid, maatschappelijke en sociale vaardigheid en kennis van de wereld. Dit alles moet in samenhang worden aangeboden: kennis en vaardigheden doorbreken de grenzen tussen vakken. In plaats van de klassieke indeling in vakken moet er een samenhangend onderwijsaanbod komen met drie clusters: natuur & technologie, mens & maatschappij en taal & cultuur.

Hiermee schetst de commissie de contouren voor het curriculum voor het onderwijs, al is zeker over het loslaten van de klassieke indeling in vakken het laatste woord niet gezegd. De vraag voor nu is wat dit voorstel betekent voor de vrijheid van onderwijs. Op het eerste gezicht lijkt die vraag nogal uit de lucht gegrepen. Een paar citaten uit het advies: ‘Toekomstgericht onderwijs biedt scholen de flexibiliteit om hun school zo in te richten dat het past bij hun leerlingen en onderwijsvisie’; ‘Ruim baan voor ambitieuze verdieping en verbreding per school en per leerling’; ‘Het eigenaarschap van scholen versterkt’. Dat biedt perspectief voor een eigen invulling van het onderwijs. Deze gedachte wordt versterkt door de expliciete verwijzing naar de vrijheid van onderwijs, aan het slot van de nota. Volgens het Platform gebruiken scholen deze vrijheid nog te weinig om samenwerking tussen vakgebieden te zoeken, eigen inhoudelijke keuzes te maken en leerlingen verdieping op maat aan te bieden. Om dat te doorbreken stelt men voor om duidelijker te omschrijven wat voor scholen verplichte en niet-verplichte leerstof is.

Neutraal pakket

Toch zijn er ten aanzien van de vrijheid van onderwijs belangrijke vragen te stellen. Allereerst een praktische vraag. Hoeveel ruimte blijft er bijvoorbeeld over voor scholen om de gewenste verbreding en verdieping van het algemene curriculum aan te brengen? De thema''s van het basisprogramma zijn immers veelomvattend. Taal- en rekenvaardigheid, digitale vaardigheid, maatschappelijke en sociale vaardigheid: scholen hebben er hun handen aan vol. Daar komt de integratie van de zaakvakken dan nog bij. Alle kans dat een groot deel van de week hiermee gevuld is; zeker voor leerlingen die extra tijd nodig hebben om mee te komen. Er is echter vooral een principiële vraag te stellen. Het Platform vult de vrijheid van onderwijs in als vrije ruimte, bedoeld voor de verbreding en verdieping van een door de overheid vastgesteld programma voor persoonlijke ontwikkeling en van basiskennis en -vaardigheden. De denkfout die de commissie hier maakt, is dat scholen een neutraal pakket aanbieden dat vervolgens vanuit verschillende onderwijsvisies nader kan worden ingevuld.


De denkfout die de commissie maakt, is dat scholen een neutraal pakket aanbieden dat vervolgens vanuit verschillende onderwijsvisies nader kan worden ingevuld


Moreel kader

We kunnen dit duidelijk maken met twee voorbeelden uit het advies van Onderwijs2032. Persoonlijke ontwikkeling is een centraal uitgangspunt voor het onderwijs. Daar kan het christelijk-reformatorische onderwijs zijn winst mee doen. Vanuit christelijk perspectief staat persoonlijke ontwikkeling immers hoog in het vaandel. Maar de invulling is in het rapport nogal mager. Het gaat erom dat de leerling ontdekt wie hij is, hoe hij zijn eigen kwaliteiten aanboort, hoe hij zich ten opzichte van anderen gedraagt. Kennis en vaardigheden in een nieuw jasje dus. Levensbeschouwing wordt wel genoemd, maar in een adem met sport, kunst, cultuur en loopbaanoriëntatie. Maar mag die persoonlijke ontwikkeling ook persoonsvorming heten? De commissie gebruikt deze woorden door elkaar, maar dat is niet hetzelfde. Persoonsvorming gaat verder dan persoonlijke ontwikkeling; het is meer dan alleen het meekrijgen van tools om je eigenheid te ontdekken en uit te bouwen. Persoonsvorming betreft de opvoeding van de hele (jonge) mens. Het valt op dat het doorgeven van waarden en het aangeven van een moreel kader in de nota afwezig is. Wie bijdraagt aan de persoonlijke ontwikkeling doet dit echter altijd vanuit een bepaald mensbeeld. Met andere woorden: het morele kader is bepalend voor persoonsvorming. Voor reformatorisch onderwijs betekent dit dat noties als de mens als schepsel, als zondaar voor God en als voorwerp van Gods ontferming in Christus essentieel zijn voor de omgang met kinderen. Daarbij zijn de Tien Geboden het blijvende kader, als uitdrukking van hoe God ons leven bedoelt, als kenbron van onze ellende en als leefregel van de dankbaarheid.

Kennis is nooit neutraal, aldus Mark A. Pike. Ze berust altijd op een of andere groepsvisie op de werkelijkheid en groepsmening over wat belangrijk is om te weten. ‘Dat leerboeken een neutraal, waardenvrij, puur op vaardigheden gericht domein van het onderwijs zouden zijn en geen diepe ideologische ingreep en een invasie van waarden in het kinderleven zouden behelzen, is een opvatting die misschien symptomatisch is voor onze tijd’ (Mark A. Pike, Onversneden Onderwijs).

Het tweede voorbeeld betreft de opvatting van basiskennis en -vaardigheden. Ook hier komen we er met een neutrale visie niet uit. Ten aanzien van digitale vaardigheden zegt de commissie dat leerlingen met nieuwe media moeten leren omgaan. Daar hoort ook mediawijsheid bij. Vanuit christelijk perspectief gaat dit echter niet zonder waarden en normen. Concreet: het gaat niet zonder de geboden van God. Die komen er niet bij, als een accent op een algemeen programma; ze vormen het fundament van het leren omgaan met media.

Meer dan eigen accenten

Er zijn dus vragen te stellen bij het neutrale karakter van de uitgangspunten van het curriculum. Christelijk onderwijs is geen accent op een neutraal programma; vrijheid van onderwijs is daarom meer dan de vrijheid om als school eigen accenten te leggen, ter verbreding en verdieping. Het christelijke karakter van het onderwijs komt ook tot uitdrukking in de wijze waarop het basisprogramma wordt aangeboden. Wie bijdraagt aan de persoonlijke ontwikkeling en persoonsontwikkeling van leerlingen, doet dit altijd vanuit een moreel kader, zagen we net. Dat geldt ook voor de vaste kennisbasis; zeker als de samenhang tussen de vakken wordt versterkt, zoals de commissie wil. Daarmee wordt immers een geïsoleerde behandeling van vakken onmogelijk, maar komen de zaakvakken in het brede kader van de ontwikkeling van leerlingen te staan. Onderwijskundige en levensbeschouwelijke uitgangspunten zijn mede bepalend voor de wijze waarop die samenhang tussen de vakken gestalte krijgt.


Het mes snijdt allereerst in ons eigen vlees; ook binnen het reformatorische onderwijs gaan we al te gemakkelijk uit van het bestaan van neutrale vakkennis


Inhoudelijke invulling

Vrijheid van onderwijs is dus meer dan vrije ruimte in het onderwijs. Door de formele opvatting van artikel 23, zoals het Platform die uitdraagt, dreigt er een inhoudelijke uitholling van de vrijheid van onderwijs. We moeten ons dus niet te rijk rekenen met de nadruk op een versterkt eigenaarschap van scholen en met een expliciete verwijzing naar de vrijheid van onderwijs. Reformatorische scholen zullen een holistische visie op onderwijzen en leren moeten uitdragen: het gaat om de hele mens voor Gods aangezicht. Het christelijke karakter blijkt niet alleen bij de dagopening en -sluiting, maar juist ook uit het morele kader waarbinnen het onderwijs staat. Wat we in het christelijk-reformatorische onderwijs doen, wortelt in een christelijke levensvisie. Dat kun je niet zomaar overplaatsen in een algemeen programma, zonder het wezenlijke kwijt te raken.

Het verdedigen van de vrijheid van onderwijs zal rondom Onderwijs2032 niet alleen op formele gronden – met een beroep op de grondwet – moeten gebeuren. Het heeft vooral te maken met de manier waarop het curriculum binnen de school gestalte krijgt, en op de levensbeschouwelijke vooronderstellingen ervan. Er is dus alle reden voor een stevige inbreng in het onderwijsdebat. Hoe inhoudelijker dit gebeurt, dus met nadruk op de totaliteit van het curriculum op reformatorische scholen, des te meer de verdediging van de vrijheid van onderwijs hout snijdt.

Huiswerk

Dit stelt overigens wel voor de kritische vraag of we zelf het christelijke niet te veel in de vrije ruimte hebben ondergebracht. Het mes snijdt allereerst in ons eigen vlees; ook binnen het reformatorische onderwijs gaan we al te gemakkelijk uit van het bestaan van neutrale vakkennis. Het feit dat leraren het moeilijk vinden om het specifiek christelijke van hun onderwijs te benoemen én te praktiseren, wijst erop dat hier niet alleen huiswerk ligt voor het Platform. Het ligt evenzeer op het bordje van de reformatorische scholen zelf. Dat dit een aangelegen punt is, mag blijken uit het feit dat de voorzitter van het Platform, prof. dr. Paul Schnabel, tijdens een bijeenkomst met vertegenwoordigers uit het reformatorisch onderwijs expliciet doorvroeg op het punt waarin deze scholen anders zijn dan andere scholen. Het expliciteren van het morele kader (of nog beter: het Bijbelse kader) is een middel om aan de overheid duidelijk te maken hoe wij gestalte geven aan de vrijheid van onderwijs. Het is dus zaak dat reformatorische scholen aan de hand van het advies van het Platform Onderwijs2032 duidelijk maken hoe hun onderwijs van de toekomst eruit zal zien. Daarbij zal expliciet moeten worden dat het reformatorische niet alleen zit in uiterlijke regels, maar vooral ook in de manier waarop vanuit een Bijbels perspectief met kinderen en jongeren wordt omgegaan. En hoe het curriculum vanuit de christelijke waarden vorm en inhoud krijgt.


Expliciet zal moeten worden dat het reformatorische niet alleen zit in uiterlijke regels, maar vooral ook in de manier waarop vanuit een Bijbels perspectief met kinderen en jongeren wordt omgegaan


Bespreken

Onderstaande vragen zijn bedoeld als handvatten om dit essay in groepsverband te bespreken.

Hoe kunnen we als school de vrijheid van onderwijs beter benutten?

Wat betekent de vrijheid van onderwijs voor het vormgeven van het curriculum?

Hoe speelt het morele kader een rol bij persoonsvorming en bij het bijbrengen van kennis en vaardigheden?

Wat willen wij als school ten aanzien van het debat over Onderwijs2032 inbrengen?


In deze rubriek iedere maand een opiniërende bijdrage van een kritische denker die betrokken is bij het onderwijs. Het artikel is bruikbaar voor bespreking in docenten- of managementteam. Deze maand: dr. Bram Kunz



Dr. Bram Kunz is onderzoeker en docent godsdienst aan Driestar hogeschool. Hij houdt zich daar onder andere bezig met het doordenken van vraagstukken rond identiteit en de vertaalslag van gereformeerd belijden naar onderwijs. Daarvoor was hij gemeentepredikant in de PKN. Kunz promoveerde in 2013 op de dissertatie Als een prachtig boek. Nederlandse Geloofsbelijdenis artikel 2 in de context van de vroegreformatorische theologie.